Een Raspberry Pi is een kleine, volledige computer. Je kan er een besturingssysteem op draaien (zoals Linux), een scherm, muis en toetsenbord aansluiten en er programma’s op gebruiken zoals op een gewone pc.
Een Arduino is een microcontroller, waar geen volledig besturingssysteem op draait. De Arduino is enkel bedoeld om specifieke taken uit te voeren, zoals het aansturen van lampjes, motoren of sensoren. Het aansturen van lampjes, motoren en sensoren kan ook met de Raspberry Pi.
De belangrijkste onderdelen van de Raspberry Pi zijn de volgende:
GPIO pinnen: deze dienen om invoer en uitvoer naar en van de Raspberry Pi mogelijk te maken;
USB-aansluitingen: daar kunnen we de muis en het toetsenbord op aansluiten;
HDMI-aansluitingen: daar kunnen we een scherm op aansluiten;
USB-c aansluiting: hier moeten we stoom op aansluiten, zodat de Raspberry Pi opstart.
Bij de Arduino stonden de labels van de verschillende pinnen reeds aangegeven op de Arduino zelf. Bij de Raspberry Pi is dat niet het geval. Dit overzicht zit ook in de dozen bij de Raspberry Pi's.
Wanneer je de Raspberry Pi voorziet van stroom, zal deze automatisch opstarten. Om te kunnen werken met de Raspberry Pi zal je moeten inloggen met een gebruikersnaam en wachtwoord die je van de leerkracht zal krijgen.
Eens ingelogd zal je zien dat er een besturingssysteem opstart, met een browser, Thony, ...
We spreken af dat we op het bureaublad een map aanmaken met de naam: klas_achternaam. Uiteraard maak je best ook een backup in je Google Drive om verlies van bestanden te voorkomen.